woensdag, maart 17

Fictioneel

Overal zijn stemmen. Drukte. Om me heen. Ik sta in het midden van het middelpunt. Te wachten. Tot jij mij komt redden uit deze overbelaste drukte. Oh schat, ik heb al zo lang gewacht. En nu wacht ik weer. Ik vraag me af of je nog wel komt. Je bent vaker niet op komen dagen. Ik heb zelfs uren in de kou gestaan, op de uitkijk. Ik spotte verschillende mensen, maar jij was er niet bij.
En toch geef ik je nog een kans. En sta ik er weer.
Ik sta op het station. Mensen rennen om treinen te halen. Mensen herenigen zich met hun partner. Mensen eten wat. Mensen lezen wat. Zoveel mensen, maar geen jij. Je bent er niet. Ik zie je niet. Misschien zie ik je gewoon wel niet. Misschien zie jij mij ook niet. Misschien lopen we elkaar wel mis. "Nee, geen smoesjes meer. Hij is er gewoon niet, Face it, hij komt niet meer. Waarom zou hij ook? Zo leuk ben je niet!"

Ik dacht dat je deze kans zou grijpen omdat ik wel echt iets voor je zou betekenen. Ik dacht dat toen je zei dat je van me hield dat dat de waarheid was. Ik dacht zoveel, want jij leek zo echt. Jij vertelde de waarheid. Dat dacht ik tenminste. Verkeerd gedacht dus. Je had me. Je had me echt. Je excuses kwamen oprecht over. En ik aanvaardde ze met open armen. Misschien juist omdat ik zo graag wilde dat jij echt van me hield. Daarom denk ik dat ik je aanvaardde. Ik accepteerde je zoals je was. Zoals ik je zag. Maar zoals ik je zag zo was je niet. Ik besefte me niet dat je tegen me loog. Je loog keihard tegen mij. Terwijl ik geloofde dat jouw masker mijn ware was. Ik heb me blootgesteld voor een masker. God, wat ben ik dom.

Maar goed, terug naar de situatie. Het station. Ik stond daar dus. Opgedoft, make-up nog even te checken. Ik stak een sigaretje aan. Ik had zelfs mijn mooiste hakken voor je aangetrokken. Ik keek om me heen. Nonchalant bekeek ik elk persoon, elke man. Geen diepe ogen, geen mooie lach. Geen handen waar ik naar verlang, geen armen waar ik in weg kan kruipen. Geen jij. De stationsklok tikte boven mijn hoofd. Ik hoorde het. Tik, Tak, Tik, Tak. Ik wilde het liefst die klok op de grond gooien. Het irriteerde me, want dit liet me realiseren dat het steeds meer tikjes en steeds meer takjes duurde. Dat je die tikjes en takjes te laat was. 13:00. Geen jij. Tik, Tak, Tik, Tak. 13:06. Ik graaf in mijn geheugen, hadden we wel echt één uur afgesproken? 13:13. Ja, toch echt één uur afgesproken. Dat getik boven mijn hoofd frustreerde me. Ik wilde de tijd stop zetten zodat jij wel op tijd zou zijn. Maar die mogelijkheid is er niet. Dus ik bleef staan. Ik bleef wachten op de ware. 13:24. Een half uur is voorbijgekropen als een slak. Inmiddels drie sigaretten verder en nog steeds geen jij. Dan maar even ergens zitten. 13:31. De tijd kroop voorbij. En ik bleef met opgeheven hoofd wachten. 13:49. Bijna een uur later besefte ik me: Hij komt niet meer. Ik ben niet goed genoeg voor hem. Mijn ware komt niet.

Toen ik mijn spullen pakte, en mijn laatste lippenstiftfiltersigaret op de grond gooide zag ik een licht. Twee lichtjes. Twee sprankelende lichtjes.

"Sorry dat ik te laat ben, het duurde een eeuwigheid om hier te komen"

2 opmerkingen:

  1. Wauw, Monique! Wat een heerlijk stuk om te lezen.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. wow prachtig
    zoals iris al zij
    heerlijk stuk om te lezen!

    BeantwoordenVerwijderen