Daar lig je dan. Alleen. Met vrouwen met witte pakjes en koude stukjes staal die in en uit lopen met de vraag: "Heb je nog iets nodig?" Het antwoord schreeuwt vanbinnen je maag. Vanuit je tenen wil het naar buiten. De woorden galmen na. "Ik heb hoop nodig."
Maar de woorden die klinken zeggen: "Nee, het is goed zo."
Dit had je nooit aan zien kunnen komen. Het ene moment waren de meest intense gevoelens van geluk. Zo van het ene moment op het andere moment was dat voorbij. Het geluk vloog voorbij in tranen, bloed en pijn. Het was verdwenen. Voorgoed verdwenen. Hoe kon je niet weten, wat was nog vager, maar wie was verdwenen. Het persoon dat jij ooit was verdween tijdens die val. DIe persoon rende weg van de val. Van de pijn. Wat overbleef was jij. Een omhulsel die verrekt van de pijn bij elke kleine beweging. Een lichaam die niks toelaat, uit angst pijn te voelen. Hoewel die angst overbodig is, aangezien de pijn altijd aanwezig is, ben je wel bang. Bang dat je het niet gaat halen. Je echte persoon is tijdelijk verdwenen, heeft zich verscholen in de diepste grot in het niets. Maar het omhulsel voelt ook. Dat kan ook denken.
Daar lig je dan, wachtend op nog een onderzoek, nog een spuitje, nog een bloedtest, nog meer pijnstillers. Niks werkt, de pijnstillers zijn tijdelijk, en uit de testen blijkt toch steeds hetzelfde. Het is voorbij. Het gaat niet meer over. Het zal niet meer beter worden. Het is voorbij. Voorbij. Echt voorbij. Over. Ooit zal je worden vergeten.
Misschien ben je nu al vergeten, je ligt erbij als een zoutzak, aan de beademing, wachtend tot iets of iemand je komt halen. Niemand weet wat dat iets of iemand is, alleen hetgeen dat het zelf is. Wachten op de dood. Eigenlijk doen we dit allemaal, alleen hebben wij de kans om de tijd van het wachten te verdrijven. Jij niet. Jij ligt in je te schone witte bed. Jij ligt daar, grapjesmakend met de witte vrouwen. De akelige mannen blijven maar vertellen hoe slecht het gaat. Goh, alsof je dat zelf niet weet. Je ligt daar, verdomme, tuurlijk weet je zelf het beste dat het niet goed gaat. Het gaat ook helemaal niet goed. Het einde is in zicht. Het schip zinkt. Het vuur dooft.
Het leven was een gift gegeven, maar vergeten te waarderen. Je hebt geleefd, maar niet tot het uiterste. Het blijkt moeilijker te zijn dan je dacht. Je denkt terug aan je leven. Hoe je als kind door de grasvelden rende achter die ene mooie vlinder aan. Hoe je als tiener voor het eerst met trillende zweethandjes voor het eerst zoende. Hoe je als student voor het eerst naar college ging. Hoe je trouwde. Hoe je kinderen kreeg. Toen waren er ook akelige mannen en witte vrouwen, alleen brachten ze toen goed nieuws. "Het is een meisje!" Nu is het: "Het is voorbij." Het meisje is haar leven gaan leiden en kijkt niet meer om naar jou. Ze heeft er vast wel van gehoord, als ze niet te druk is met haar eigen leven. Ach, zolang ze maar gelukkig is.
Nu is zelfs dat voorbij. Zo is het ook wel genoeg geweest, denk je dan. En op het moment dat je de witte vrouwen bedankte voor hun goede zorgen, klonk de schelle piep.
Het beademingsapparaat.
Dit is pas het einde.
Nu is het echt voorbij.
Het is voorbij...
Geen opmerkingen:
Een reactie posten