Vertraagd. Verzwakt. Vergeten.
Zo lig ik daar. In het eenzame koude bed. Weg te dromen naar een beter iets. Niet een beter leven, want daar geloof ik niet in. Maar naar iets. Hoop is er nog, maar een klein beetje. Veel zal het niet worden, want hopen is vaak vals. Vals in beide opvattingen. Een geest die vastzit, opgesloten, alsof hij een misdaad heeft begaan. Een misdadiger als geest, met een straf: levenslang. Levenslang vast in een ziek lichaam. Marteling. Misschien toch liever de doodstraf gewild. Maar er is leven, dus er is hoop. Hoop op iets nieuws, iets beters. Of gewoon iets. Het simpele iets. Ik heb het geprobeerd, ik heb het echt geprobeerd. Ik heb geprobeerd het weg te stoppen. Dat zieke lichaam. Ik heb geprobeerd het niet te laten zien. Ik heb geprobeerd het de baas te zijn. Ik heb geprobeerd de ziekte weg te laten gaan. Maar de ziekte neemt het lichaam over, en omdat de geest opgesloten zit neemt het ook de geest over. Ik ben nu de ziekte. Waar heb ik dit aan verdiend? Heb ik ooit iemand zo vreselijk veel pijn laten voelen dat ik daar nu voor gestraft wordt? Ik kan me niet herinneren dat ik iemand iets heb aangedaan waardoor ik dit verdien. De grootste misdadiger verdient deze pijn niet. En ik, een heel normaal meisje die braaf doet wat van haar verwacht wordt, Ik wordt gestraft. Zwaar gestraft. Zo hoeft het van mij niet meer..
Geen opmerkingen:
Een reactie posten